Herdenking gedeporteerde joden van Voorne-Putten, de Sjoel in Brielle

Dames en heren, vrijwel exact 20 jaar geleden maakte ik een korte reis naar Israël. In vlijmscherp contrast met vandaag, verkeerde het Midden-Oosten toen in een fase van relatieve rust en mijn interesse in dit kleine land en vooral de geschiedenis daar, die zo’n enorme impact heeft op de wereld van vandaag, interesseerde me buitengewoon. Na een dag in Tel Aviv, reisde ik met de trein naar Jeruzalem waar ik in een hostel midden in de oude stad overnachtte. Wat mij enorm opviel, was dat je het gewicht van de geschiedenis daar bijna letterlijk kon voelen. Wat niet aan mijn reis mocht ontbreken, was een bezoek aan Yad Vashem, het holocaustherdenkingsmuseum in Jeruzalem. Yad Vashem is een plek die niemand onberoerd kan laten. Niet alleen vanwege het gruwelijke onderwerp, de systematische en industriële moord op 6 miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, maar vooral de manier waarop je daar als bezoeker in meegenomen wordt.

Je doorloopt namelijk in het museum de geschiedenis van het antisemitisme. En dat begint bij, laat ik het de klassieke vorm van antisemitisme noemen, het christelijke antisemitisme, waarbij de Joden de schuld krijgen van de dood van Christus. Eén van de consequenties van de haat die uit deze vorm van antisemitisme voortvloeide, was het feit dat Joden uitgesloten werden van heel veel beroepsgroepen en gildes. Door hun daardoor gedwongen toevlucht tot onder andere het bankwezen, ontstond het economisch antisemitisme met als hardnekkig clichébeeld de rijke jood. Een beeld dat nog altijd bestaat. In de tweede helft van de 19e eeuw, na het ontstaan van de evolutietheorie van Darwin, begon het raciale antisemitisme, de theorie dat Joden een inferieur ras zouden zijn, de uiteindelijke voedingsbodem van de Nazi ideologie en de afschuwelijke aanleiding voor de holocaust. Als bezoeker van Yad Vashem word je stap voor stap meegezogen in deze eeuwenlange, gruwelijke neergaande spiraal en voel je iets van de kwetsbaarheid en angst die Joden altijd hebben gevoeld. En nog steeds voelen.

De voormalig Minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, Madeleine Albright, begreep dat als geen ander. In een toespraak bij het United States Holocaust Museum, zei ze: “I think that the problem of antisemitism has been, unfortunately, with us for centuries”. Ze vond dan ook dat antisemitisme actief moest worden bestreden. Voor haar had dit een extra bijzondere betekenis: Albright, geboren in 1937 in wat toen nog Tsjechoslowakije was, had van haar ouders een katholieke opvoeding gekregen. Pas op 59-jarige leeftijd kwam ze erachter dat haar ouders Joods waren en dat maar liefst 26 van haar familieleden, onder wie 3 grootouders, in de Holocaust waren vermoord. Het maakte het leed van de 6 miljoen vermoorde Joden voor haar ineens heel persoonlijk. En dat is ook de boodschap achter Yad Vashem. De Holocaust gaat niet over de genocide van 6 miljoen Joden, maar over 6 miljoen individuele joden die zijn vermoord. Over mensen met een eigen gezicht en een eigen levensverhaal. Over het gezin Philipse. Over Liesje Gazan. En over Roosje Frenkel.

Hoe goed en hoe belangrijk is het daarom, dat we elkaar jaar hier, in de Sjoel, eind oktober samen hun verhalen weer tot leven brengen. Want om met de woorden van Madeleine Albright te eindigen; “We must never allow ourselves to forget.”